De International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) is de internationale standaard voor het beschrijven van het menselijk functioneren. De ICF gaat niet over de aandoening zelf, maar over wat iemand in het dagelijks leven kan en doet, en in welke context.

Daarmee vult de ICF de ICD aan. De ICD legt vast welke aandoening iemand heeft, de ICF beschrijft hoe iemand functioneert. Twee mensen met dezelfde diagnose kunnen heel verschillend functioneren, en iemand zonder diagnose kan forse functioneringsproblemen hebben. Samen geven de ICD en de ICF daarom een vollediger beeld dan elk apart.

De ICF is gebaseerd op een biopsychosociaal model. Functioneren is daarin geen eigenschap van de persoon alleen, maar het resultaat van het samenspel tussen de gezondheidstoestand, de omgeving waarin iemand leeft en persoonlijke factoren.

Waarvoor wordt de ICF gebruikt?

De ICF biedt één gemeenschappelijke taal voor functioneren, over disciplines en sectoren heen. Omdat de ICF het functioneren los van de diagnose beschrijft, kunnen verschillende professionals dezelfde situatie op dezelfde manier vastleggen en met elkaar vergelijken. De toepassingen lopen uiteen van de individuele zorg, het in kaart brengen van iemands functioneren en het plannen en evalueren van behandeling, tot onderzoek en het maken van beleid, zowel in de zorg als daarbuiten (zoals sociale zekerheid, onderwijs en arbeid).

Hoe is de ICF opgebouwd?

De ICF bestaat uit twee delen.

Deel 1: Functioneren en functioneringsproblemen, met twee componenten: 

  • functies en anatomische eigenschappen (b, s): deze component bestaat uit twee afzonderlijke classificaties. Functies (b) zijn de fysiologische en mentale eigenschappen van het menselijk organisme. Anatomische eigenschappen (s) betreffen de positie, aanwezigheid, vorm en continuïteit van onderdelen van het lichaam.
  • activiteiten en participatie (d): wat iemand doet en waaraan iemand deelneemt.

Deel 2: Factoren, ook met twee componenten:

  • externe factoren (e): de fysieke en sociale omgeving waarin iemand leeft.
  • persoonlijke factoren: iemands individuele achtergrond, zoals leeftijd, geslacht en opleiding. Die worden in de ICF wel genoemd, maar niet geclassificeerd, vanwege de grote sociale en culturele verschillen die erin voorkomen.

De ICF is neutraal opgezet. Elke component kan zowel beschrijven wat goed gaat als wat niet goed gaat. De ICF beschrijft dit aan de hand van de termen functioneren en functioneringsproblemen. 

Functioneren is de term voor de neutrale of positieve kant. Die dekt functies, anatomische eigenschappen, activiteiten en participatie samen.

Functioneringsproblemen is de term die gebruikt wordt voor beperkingen in het functioneren. De ICF hanteert hiervoor de volgende begrippen: 

  • Stoornis: een probleem in functies of anatomische eigenschappen
  • Beperking: een probleem met het uitvoeren van activiteiten
  • Participatieprobleem: een probleem met deelnemen aan het maatschappelijk leven

Ook bij externe factoren wordt onderscheid gemaakt tussen ondersteunende of juist belemmerende factoren. De voorloper van de ICF kende alleen negatieve termen, waardoor er geen taal was voor wat wél lukt. De ICF beschrijft beide kanten, wat beter aansluit op hoe zorg en ondersteuning in de praktijk worden ingericht.

Codes en typeringen

De domeinen binnen elke component zijn hiërarchisch geordend en krijgen een code: de letter van de component (b, s, d of e), gevolgd door cijfers. Zo'n code benoemt alleen het onderwerp. Pas met een typering (qualifier) erachter, leg je vast in welke mate iets van toepassing is. Zonder typering zegt een code niets.

Wat de typering uitdrukt, verschilt per component:

  • bij functies en anatomische eigenschappen: de ernst van de stoornis
  • bij activiteiten en participatie: zowel wat iemand werkelijk doet in de eigen omgeving (uitvoering) als wat iemand kan in een gestandaardiseerde omgeving (vermogen)
  • bij externe factoren: of iets een belemmering of juist een bevorderende factor is.

De typering zelf is een cijfer van 0 tot 4: 0 staat voor geen probleem, 1 licht, 2 matig, 3 ernstig en 4 volledig. Daarnaast bestaan 8 voor niet gespecificeerd en 9 voor niet van toepassing.

Een voorbeeld. De code d450 staat voor lopen en zegt op zichzelf alleen waar het over gaat. Bij activiteiten en participatie komen er twee cijfers achter de punt: eerst de uitvoering, dan het vermogen. De code d450.20 betekent dus dat iemand thuis matige moeite heeft met lopen (uitvoering 2), terwijl hij in een gestandaardiseerde omgeving geen enkel probleem heeft (vermogen 0). Dat gat tussen de twee cijfers laat zien wat de omgeving doet, en dus waar aanpassing van die omgeving iets kan opleveren.

Het gat kan ook de andere kant op vallen. Bij de uitvoering mag iemand namelijk hulpmiddelen en hulp gebruiken, bij het vermogen niet.

Een korte geschiedenis

De ICF komt voort uit de ICIDH (1980), een eerdere WHO-classificatie van de gevolgen van ziekte. Die ging nog uit van een rechte lijn van ziekte naar beperking. De ICF verving dat door het biopsychosociale model, waarin de omgeving een even bepalende rol speelt. Na een herziening nam de World Health Assembly de ICF in 2001 aan. Een afzonderlijke versie voor kinderen en jongeren (ICF-CY) is later in de ICF geïntegreerd.

ICF in Nederland

In Nederland wordt de ICF vooral gebruikt als denkkader en als gemeenschappelijke taal. Het model sluit goed aan bij de manier waarop in de revalidatie, de verpleegkunde en de paramedische zorg al werd gewerkt, en de ICF-terminologie is in die beroepsgroepen steeds gangbaarder geworden. De meerwaarde zit vooral in het klinisch redeneren: de indeling in functies, anatomische eigenschappen, activiteiten, participatie en externe factoren geeft in één overzicht wat er speelt en wat daarop van invloed is.

Daarnaast bestaan er beroepsspecifieke uitwerkingen (core sets) waarin wel met codes wordt gewerkt. Daarin is een selectie uit de ICF gemaakt van wat voor dat vakgebied relevant is.

Ook buiten de zorg wordt de ICF toegepast, onder meer bij vragen over arbeidsparticipatie. Als arbeidsdeskundigen, bedrijfsartsen, verzekeringsartsen en behandelaars hetzelfde denkkader hanteren, sluiten hun beoordelingen beter op elkaar aan.

De ICF bevat ook de WHODAS 2.0, een meetinstrument dat het functioneren meet over zes domeinen.

ICCF raadplegen

De Nederlandstalige ICF vind je in de classificatiebrowser.